Kater

Een gedenkwaardige dag na een korte nachtrust. Kater. Althans voor de meeste runners. De avond ervoor, op 9/11, was er een feestje geweest. Dat konden ze zich nog vaag herinneren. Iemand was er 60 geworden. Of was dat vandaag? Wie was ook alweer de Bob? Van Huët? Hoe het ook zij, kater!
Maar wat doe je met een kater? Hardlopen? Welnee, katers lopen niet hard. Katers liggen; ze liggen te snorren; soms doen ze één oog open. Een enkele keer staan katers op; ze rekken zich een beetje uit en sluipen dan op kousenvoeten naar kittekat of kattenbak. Katers lopen dus niet hard. Ja, als ze krols zijn lopen katers hard; als ze achter de poezen aan gaan, dan lopen katers hard. Maar anders lopen katers niet hard. En zeker niet als ze gecastreerd zijn. Dan is de lol er helemaal vanaf; van een kater. Ik heb eens een kater gehad; niet vooruit te branden! Ik heb een hekel aan katers, trouwens ook aan poezen, want die zijn meestal gesteriliseerd. Waarom zijn er eigenlijk zoveel van die beesten? Ik zal toch niet de enige zijn die er de pest aan heeft!
Maar ik dwaal af. Terug naar de vraag: wat doe je met een kater? Weten wij eigenlijk wel wat een kater is? Volgens de Dikke Van Dale is een kater een verbastering van ‘katarrh’. Dat is een Russisch woord, dat is afgeleid van het Griekse ‘katarein’. En dat betekent letterlijk: ‘naar beneden stromen’. Nou dan weet je het wel. Dat moet met drank te maken hebben. Een onaangename gesteldheid, ook wel ongesteldheid daags na een drinkgelag, noemen de lui van Van Dale dat.
Een kater! Drank dus. Panta rhei, sprak Heraclitos al. Alles stroomt. Vooral bij mannen stroomt het, naar beneden dus. Bij vrouwen niet. Vrouwen hebben nooit katers, vrouwen zijn altijd de Bob. Dat is eufemisme voor ‘klos’. De onontkoombare conclusie van deze weldoortimmerde beschouwing is dus dat clubleden met een kater allemaal mannen zijn.
Onwillekeurig dringt zich dan de vraag op: Waarom lopen zulke mannen eigenlijk hard? En waarom speciaal vandaag? Moeten ze iets bewijzen? Zo van: ‘Kijk mij nou! Mij krijgen ze niet klein. Ik zal ze eens een poepie laten ruiken’? Helaas moet ik het antwoord hierop schuldig blijven. En zo blijf ik achter met een beetje katterig gevoel. ‘Morele kater’ volgens de Dikke van Dale.
Kees de Ruwe